De grondlegger van het Jenaplanonderwijs is de Duitse pedagoog Peter Petersen (1884-1952). Peter Petersen werd in 1884 geboren in een boerengezin in een dorp in Duitsland aan de Duits-Deense grens. In 1923 werd Peter Petersen hoogleraar in de opvoedkunde. Hij kreeg daarbij de leiding van het pedagogisch seminarie en van de  Universitaire oefenschool in het Oostduitse Jena (hier komt de naam Jenaplan vandaan). Op verzoek van ouders uit de stad Jena en omgeving heeft Peter Petersen een universitaire oefenschool ingericht naar zijn vernieuwingsinzichten.

Reformpedagogiek en Jenaplan

De basis van het Jenaplanonderwijs is de reformpedagogiek. Deze nieuwe-schoolbeweging ontstond in 1921 uit onvrede over het 19e-eeuwse schoolsysteem, waarbij de inperking van individuele vrijheid leidde tot strakke discipline en regels. Deze beweging die is opgericht door de Engelse pedagoog Beatrice Ensor (1885-1974) en de Zwitserse pedagoog Adolphe Ferriere (1879-1960), werd ook wel de reformpedagogiek genoemd, omdat het ging om hervorming van de school. In 1927 sloot Peter Petersen zich aan bij deze beweging.

De reformpedagogiek werd gekenmerkt door haar kindgerichtheid. Het kind moest centraal staan in het onderwijs, niet de leerstof. Het intellectueel vermogen werd gezien als slechts één van de vermogens van kinderen. Er werd veel nadruk gelegd op de lichamelijk en kunstzinnige vorming: bewegingsonderwijs en kunstonderwijs namen een belangrijke rol in het onderwijs in. Ook vonden de reformpedagogen dat er meer vertrouwen moest zijn in de natuurlijke ontwikkeling van kinderen. Er moest niet van kinderen verlangd worden dat ze de hele dag stil zitten, omdat kinderen van nature de behoefte hebben om te bewegen.

Basisprincipes van Jenaplanonderwijs

In 1962 introduceerde Suus Freudenthal-Lutter (1908-1986) het Jenaplanonderwijs in Nederland. School aan de Laan van Nieuw Guinea te Utrecht was de eerste Jenaplanschool in ons land. Freudenthal was nauw betrokken bij de oprichting van de Stichting Jenaplan in 1969. Zij is de grondlegger van de acht grondprincipes, die in de 70-er jaren van de vorige eeuw leidend waren om een Jenaplanschool vorm te geven. De acht grondprincipes van Freudenthal zijn later uitgewerkt in de twintig basisprincipes die op dit moment leidend en richtinggevend zijn om de school als leef- en werkgemeenschap te ontwikkelen.

Kenmerkend voor het Jenaplanconcept is, dat het geen gesloten of dogmatische onderwijsmodel is, maar een open en interpreteerbaar streefmodel. Dé ideale of een model Jenaplanschool bestaat niet. Elke schoolgemeenschap bestaande uit kinderen, groepleiders en ouders en geeft het Jenaplanconcept vorm vanuit de eigen lokale situatie en door de specifieke schoolsituatie.

De twintig basisprincipes

De eerste 5 principes gaan over hoe we kijken naar mensen. De tweede 5 principes gaan over de maatschappij en de laatste 10 principes gaan over de consequenties voor het onderwijs.

  1. Elk mens is uniek; zo is er maar één. Daarom heeft ieder kind en elke volwassene een onvervangbare waarde;
  2. Elk mens heeft het recht een eigen identiteit te ontwikkelen. Deze wordt zoveel mogelijk gekenmerkt door: zelfstandigheid, kritisch bewustzijn, creativiteit en gerichtheid op sociale rechtvaardigheid. Daarbij mogen ras, nationaliteit, geslacht, seksuele gerichtheid, sociaal milieu, religie, levensbeschouwing of handicap geen verschil uitmaken;
  3. Elk mens heeft voor het ontwikkelen van een eigen identiteit persoonlijke relaties nodig: met andere mensen; met de zintuiglijke, waarneembare werkelijkheid van natuur en cultuur; met de niet zintuigelijk waarneembare werkelijkheid;
  4. Elk mens wordt steeds als totale persoon erkend en waar mogelijk ook zo benaderd en aangesproken;
  5. Elk mens wordt als een cultuurdrager en -vernieuwer erkend en waar mogelijk ook zo benaderd en aangesproken;
  6. Mensen moeten werken aan een samenleving die ieders unieke en onvervangbare waarde respecteert;
  7. Mensen moeten werken aan een samenleving die ruimte en stimulansen biedt voor ieders identiteitsontwikkeling;
  8. Mensen moeten werken aan een samenleving waarin rechtvaardig, vreedzaam en constructief met verschillen en veranderingen wordt omgegaan;
  9. Mensen moeten werken aan een samenleving die respectvol en zorgvuldig aarde en wereldruimte beheert;
  10. Mensen moeten werken aan een samenleving die de natuurlijke en culturele hulpbronnen in verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties gebruikt;
  11. De school is een relatief autonome coöperatieve organisatie van betrokkenen. Ze wordt door de maatschappij beïnvloed en heeft er zelf ook invloed op;
  12. In de school hebben de volwassenen de taak de voorgaande uitspraken over mens en samenleving tot (ped)agogisch uitgangspunt voor hun handelen te maken;
  13. In de school wordt de leerstof zowel ontleend aan de leef-en belevingswereld van de kinderen als aan de cultuurgoederen die in de maatschappij als belangrijke middelen worden beschouwd voor de hier geschetste ontwikkeling van persoon en samenleving;
  14. In de school wordt het onderwijs uitgevoerd in pedagogische situaties en met pedagogische middelen;
  15. In de school wordt het onderwijs vorm gegeven door een ritmische afwisseling van de basisactiviteiten gesprek, spel, werk en viering;
  16. In de school vindt overwegend heterogene groepering van kinderen plaats, naar leeftijd en ontwikkelingsniveau, om het leren van en zorgen voor elkaar te stimuleren;
  17. In de school worden zelfstandig spelen en leren afgewisseld en aangevuld door gestuurd en begeleid leren. Dit laatste is expliciet gericht op niveauverhoging. In dit alles speelt het initiatief van de kinderen een belangrijke rol;
  18. In de school neemt wereldoriëntatie een centrale plaats in met als basis ervaren, ontdekken en onderzoeken;
  19. In de school vinden gedrags- en prestatiebeoordeling van een kind zoveel mogelijk plaats vanuit de eigen ontwikkelingsgeschiedenis van dat kind en in samenspraak met hem;
  20. In de school worden verandering en verbeteringen gezien als een nooit eindigend proces. Dit proces wordt gestuurd door een consequente wisselwerking tussen doen en denken.

bron: Nederlandse Jenaplan Vereniging